Lieve Edith,
De droogte houdt al meer dan een maand aan en dat, 'dat is nooit eerder gebeurd', zeggen de oorlogszuchtige meteorologen, die de aarde beërven, die een verborgen agenda verborgen bijhouden, meten wat ze allang weten, het klimaat bederven door erover te zeuren, de pret ook, de zin om te willen leven. Waarom anders zit ik hier, Edith, in deze zoet smakende, water vragende laaglanden bij de opdringerige zure zee? En waarom zit jij daar, zo ver landinwaarts, op het snijpunt van spoorwegen die een mens alleen maar verder de oostelijke woestijn in voeren, in een wagon dat eerder vee vervoerde en nu mensen die geen mens zijn? Toch ook niet voor niks?
Er zit altijd iets achter, Edith. In jouw ogen een goddelijk plan dat jou en je lieve zusje rust geeft, vrede ook, terwijl men, de zeer bijgelovige Duitsers, de fabrieksovens alvast feestelijk opwarmt, voor de nachtelijke ontvangst van een slenterende trein, die alle verschrikte dieren zo goed en kwaad als het gaat in slaap sust. Het kan best eens de trein zijn waar jij en Rosa in zitten, op de zwaar vervuilde, met menselijke mest geïmpregneerde grond, die men na afloop door insecten schoon laat maken met een tandenborstel. Voor niks gaat de zon op, zei men vroeger, in de negentiende eeuw, toen de wereld nog niet verduisterd werd door veel te zware rook die uit de hoog opgemetselde schoorstenen bijna nooit omhoog wilde maar veel eerder omlaag, om te landen in de maagdelijk roze longen van de arbeiders die beter niet rookten en niet dronken maar dat wel deden.
Die keuvelende smog, die gezellig nasmeult in de roze longen van ambitieuze steden, vooral nooit meer platteland wilden zijn, iets dat ze altijd waren, veel te lang eigenlijk, met al die oeroude rivieren, Edith, die eerder heilig waren want schoon. Het drinkwater, Edith, stikt in het plastic dat achteloos wordt weggeworpen in stokoude rivieren die zichzelf waren en niet waren, zeggen wij, waar wij doorheen waadden en waar wij niet doorheen ploegen, op weg naar waar eigenlijk? Naar de overkant? Maar wat is de overkant Edith, wat het doel wanneer slechts rook uit een schoorsteen overblijft? Niets menselijks, niet goddelijks? Alleen de wanhoop die overblijft wanneer een dier zich ontlast?
Onderstaande brief wilde ik graag naar de jonge Adolfus sturen die er, zoals alle jongens en meisjes van alle windstreken, jongens- en meisjes en anderszins dromen op na schijnt te houden. Ik geloof dat ik deze brief eerder had moeten sturen dan de vorige, over zijn overleden moeder. Omdat de jonge zich eerder aanmeldde voor de kunstacademie in Wenen dan zijn lieve moeder overleed aan borstkanker. Maar wat geeft het; het is toch geschiedenis. Ik gebruik nu de u vorm maar weet niet meer goed wat ik eerder deed. Kijk daar even naar, Edith, wil je.
Ostenbach I Die Niederlände I Oktober 1907
Beste Adolfus,
Goed plan hoor om zich aan te melden voor de kunstacademie in Wenen. Een mens kan niet ambitieus genoeg zijn, zeker in tijden dat het noodlot een mens met veel talenten tart. Uw gevreesde, maar nochtans beminde vader is nu ruim vier jaar dood en waart als vanzelf - bij welke wees is dat niet zo? - nog altijd rond in uw geest, uw moeder is zwaar ziek en sterft in december aan borstkanker, uw vaderlijke nalatenschap is bijna opgesoupeerd.
[Of dit waar is Edith, dat moeten we nog nakijken].
U toont ambitie en dat is het waar het in dit leven om draait. Ook al legt u, in uw veel te jonge overmoed, soms adviezen en kritiek naast zich neer, zeer begrijpelijk wel, zeker met uw karakter, om maar niet te spreken over uiterst nare omstandigheden, dat wat u allemaal in uw jonge jongensleven voor de kiezen kreeg - een heel aantal voortijdig gestorven broertjes en zusjes, een kei moeilijke want zeer autoritaire maar veel te vroeg gestorven vader die het beste met u voorhad, maar dat niet bepaald kon laten blijken door zo nu en dan een arm om u heen te slaan, een moeder die aan de vooravond van kerstmis de pijp aan Maarten gaf - ondanks al uw tegenslagen in dit vroeg twintigste-eeuwse leven, dat er zovelen zijn dat men daar tegenwoordig zeker heel veel behoorlijk dure hulp, die men nu ineens weg wil bezuinigen, bij zou krijgen, u meldt zich aan voor de kunstacademie. Nota Bene in Wenen, de hof- en hoofdstad van het schizofrene keizerrijk dat een wereld wil besturen dat wel een enkele kop, die van keizer Franz Joseph, heeft maar meer dan twintig etnische staarten.
Omdat ik, uw dienaar Joseph, dichter ben, zij het in een van de vele Duitse dialect waar u zo'n hekel aan heeft, het Nederlands, eerder nog het Nijmeegs, en mijn beste vriend niet alleen de kunstacademie in Arnhem glansrijk doorliep en later nog de Rijksakademie van beeldende kunsten in Amsterdam, een opleiding die twee jaar duurde en waar men geen blad voor de gezonde mond nam om een student uit te leggen dat die nog nergens was, zich niet moest inbeelden wel ergens te zijn, die helpt mij met u van de nodige adviezen te voor zien. Het zou, na alles wat u in uw jonge leven al hebt meegemaakt, zo fijn zijn dat het lot [Of moet ik hier 'voorzienigheid' zeggen, Edith, in plaats van noodlot. Wat denk jij?] zich eens niet tegen u keert maar precies de andere kant op waait, met u mee beweegt?
Een mens met maar één leven kan niet ambitieus genoeg zijn; de kunstacademie in Wenen is dan ook geen slechte keuze of men moet naar het Duitse Keizerrijk willen afreizen. Maar omdat men doorgaans geen twee keizers tegelijk kan dienen, zoals men geen twee goden kan dienen, en de buit noodgedwongen verdeeld moet worden tussen twee kwaden, zo begrijp ik dat de academie in Wenen momenteel de allerbeste keuze is, daarover geen twijfel. Ik neem aan dat u gevraagd bent om een portfolio op te sturen of te brengen? Ik zou het brengen want het scheelt de nodige porto. Neem vooral veel werk mee, liever analoog dan digitaal, want met digitale afbeeldingen kan men alle kanten op, fysiek werk is eindeloos veel makkelijker te duiden.
Als ik uw moeder goed begreep dan bent u best goed in het natekenen van de werkelijkheid? Dat is mooi, want de werkelijkheid is het voornaamste bezit dat wij mensen hebben. Aan godsdienst en fantasie immers heeft de mensheid helemaal niets. Zoiets zei Karl Marx ook al, u wellicht bekend omdat hij nogal in de mode is, in Rusland vooral, maar ook in het Duitse Rijk en in de Dubbelmonarchie.
[...]
Edith, hier moet ik het nu even bij laten. Zuster Jeanne heeft een wandeling gepland in de tuin. Omdat het weer zo mooi is maar wel erg droog voor de tijd van het jaar. We gaan met een grote groep. Mijn Palestijnse buurman gaat mee en bijna ook alle leden van de creaclub. Ik kan me er niet aan onttrekken. Ik hoop dat ik naast zuster Jeanne kom te lopen, dat ze over De Verlosser begint en ik opgewonden raak. Dat alles hoop ik, zoals ik voor Adolfus hoop en bid dat hij talent mag hebben, het wordt gezien en hij wordt aangenomen, en tijdje zoet is en van de straat. Wil jij ook voor ons bidden Edith, want je weet het: ik geloof nergens meer in, ook niet in mezelf.
Liefs jouw Joseph