dinsdag 16 juni 2026

Anne Muller ‘Ik schilder om te overleven’

  


  

 

Anne Muller 'Ik schilder om te overleven' [1]

Beste aanwezigen, familie en vrienden van Anne, zoon Hans, Truus Wertheim, nabestaanden van de onderduikfamilie, lieve Anne,

Dank Anne iets te mogen zeggen over je schilderijen op deze tentoonstelling in Bakermat die de titel meekreeg: 'Ik schilder om te overleven.'

 



Voorblad (rechts) uit het originele dagboek van Anne Frank [2]

 

Het idee van een lang verbeide vriendin 

Op 12 juni 1942, voor haar dertiende verjaardag, krijgt Anne Frank, naamgenote van onze Anne, van haar ouders een dagboek cadeau. Op dat moment is het gezin nog niet ondergedoken. Nog net niet.

Op het voorblad van haar dagboek schrijft Anne Frank [3] de ontroerende woorden: "Ik zal hoop ik aan jou alles kunnen toevertrouwen, zoals ik het nog aan niemand gekund heb, en ik hoop dat je een grote steun voor me zult zijn. Anne Frank. 12 juni 1942."

Even verderop lezen we: "Ik heb familie, lieve tantes en ooms, een goed thuis, neen, ogenschijnlijk ontbreekt het me aan niets, behalve aan ‘de’ vriendin. Ik kan met geen van mijn kennisjes iets anders doen dan pret maken, ik kan er nooit toe komen eens over iets anders te spreken dan over alledaagse dingen. Want wat intiemer te worden is niet mogelijk, en daar zit hem de knoop. Misschien ligt dat gebrek aan vertrouwelijkheid bij mij; in ieder geval, het feit is er en het is jammer genoeg ook niet weg te werken."

"Daarom dit dagboek. Om nu het idee van een lang verbeide vriendin nog te verhogen in mijn fantasie, wil ik niet zo maar gewoon als ieder ander de feiten in dit dagboek plaatsen, maar wil dit dagboek de vriendin zelf laten zijn en die vriendin heet Kitty."

Toen ik zelf een jaar of 12 was kreeg ik het net herdrukte dagboek van Anne Frank cadeau. Op 4 mei. Van mijn ouders. Wij alle vijf, de kinderen, kregen het. Ik las het in de pubertijd. Ik begreep het niet, ik begreep het wel. Zoals ik een paar jaar later Kafka las. Ik begreep het niet, ik begreep het wel.

Primo Levi zei eens: "Één enkele Anne Frank ontroert ons meer dan de ontelbaren die net zo leden als zij, maar wier beeld in de schaduw is gebleven. Misschien moet dat ook zo zijn: als we het leed van alle mensen moesten en konden meelijden, zouden we niet kunnen leven." [4]

  



Anne Muller (rechts) in de onderduik bij de onderduikfamilie. 


'Mijn werk gaat over mijn eigen leven'

Op 10 februari 1940, op een steenworp afstand van deze zaal, van deze voormalige kerk, werd Anne Muller geboren, 11 jaar jonger dan haar naamgenote Anne Frank. In Europa woedde al een oorlog, maar die zou, net als eerder, wel weer over Nederland heen waaien. Niemand hoefde onder te duiken. Gezinnen en families bleven heus compleet. Het leven ging zijn eeuwige gangetje.

Exact drie maanden later denderde de onstuitbare oorlogsmachine over de treurig neutrale grenzen. Het gezin Frank dook onder in Amsterdam, het gezin Muller in Arnhem. Vader Frank overleefde de oorlog, zijn vrouw en dochters niet. De Mullers overleefden de eindoplossing van het Joodse vraagstuk wel. Met dank aan doodgewone mensen die zichzelf niet dapper vonden maar het wel waren. Maar het grootste deel van de familie was er na de oorlog niet meer. Te weinig dappere mensen, veel te weinig.

Iets meer dan een week geleden ging ik bij Anne op bezoek. [5] Eindelijk. In Anne haar mooie, lichte en stille bovenwoning kreeg ik koffie en roomsoesjes geserveerd. Waarover ik het openingswoord wilde doen? vroeg Anne. "Ik dacht over jou," zei ik.  Na een uur praten, over ouders, familie, oorlog, vernietiging zei Anne: "Schrijf je dat allemaal op? Waarom? Het is al zo vaak opgeschreven. Ik heb het al zo vaak verteld. Het staat echt overal."

Ik zei dat het haar feestje was: "Anne, jij mag het zeggen. Waar wil je het dan over hebben?" Anne: "Nou, over mijn schilderijen. Niet over de oorlog." Ik begreep het eerst niet goed.

Een maal weer thuis bekeek ik Anne’s website luidt. De eerste zin luidt: "Mijn werk gaat over mijn eigen leven en bovenal wat oorlog en vervolging, het weten dat er eigenlijk niet had mogen zijn, met het individu doet." [6] Toch de oorlog? Het lijkt of Anne zichzelf tegenspreekt. Wil ze het nou wel over de oorlog hebben of niet?

Na wat innerlijke verwarring, begreep ik het. Anne wil het wel over de oorlog hebben, maar eigenlijk alleen in haar schilderijen. Liever niet in woorden, geschreven woorden, gesproken woorden, nog minder in interviews en gesprekken. Erover praten vindt ze moeilijk. Te moeilijk. Praten is altijd met een ander. De ander kent jouw geschiedenis niet, kan dat ook niet. De ander is slechts een bezoeker, misschien zelfs wel een voyeur. Anne spreekt soms liever met de doden, familie bij wie zij te gast is. Voyeur van een leven dat nooit ten volle is geleefd, nooit is afgemaakt.

  


 
Anne Muller, 'De slingers', acryl op doek, 90×120 cm


De ontdekking van het schilderen

Ongeveer dertig jaar geleden deed Anne een poging om over het onverwerkte verleden te praten met een professional. Het ging niet. Iemand vroeg of ze niet een middagje creatieve therapie wilde volgen? “Het is één op één hoor. Geen anderen, geen groep. Geen pottenkijkers. Niet praten. Gewoon maken. In stilte.” De dagen erna bleef het maar spoken en ‘s nachts kon Anne er niet goed van slapen. Tijdens het schilderen voelde ze dat er iets gebeurde.

Na een tijd vond Anne de moed om een opleiding in de kunst te volgen. Op de zaterdagochtend. 'Upgraders in Art.' [7] Een door de overheid erkende kunstopleiding in Arnhem, geesteskind van Loukie von Freyburg die zowat veertig jaar lang lesgaf aan de Arnhemse academie, maar daar iets miste. Een opleiding voor mensen met een late of te lang genegeerde roeping. Daar leerden we elkaar kennen.

Het enige dat de kunstenaar-docenten die op zaterdagochtend lesgaven tegen Anne hoefden te zeggen was: alles is er allang, nu het vertrouwen nog. Althans, zo zag ik het. Als het om schilderen gaat is Anne een natuurtalent. Alles is er, nu het vertrouwen nog dat alles er is. Dat dat zelfvertrouwen er waarschijnlijk nooit helemaal komt is vermoedelijk een fataal gevolg van de persoonlijke geschiedenis die een zwaarte kent die weinigen begrijpen laat staan kunnen navoelen.

Soms werd wel gezegd dat ze moest zoeken naar een ander onderwerp, dat 'dit verhaal' wel klaar was. Maar het was niet klaar, het verhaal. Het begon net. Het is de urgentie van het te vertellen verhaal dat het schilderen nodig heeft om boven zichzelf te kunnen uitstijgen. De technisch schijnbaar onvolmaakte vorm is niets anders dan de enig mogelijke weergave van de geknakte ziel. Aan het einde van haar studie kreeg ze een grote tentoonstelling, als dank voor haar grote kwaliteiten.

 

 

 Anne Muller, 'Kleine Adolf', 2020

 

'De kleine Adolf' 

Anne gebruikt foto’s. Uit een in twee delen gesplitst familiealbum. Foto’s van zichzelf. Als baby. Van vader en moeder. Van haar kleine zusje. Als heel klein meisje in de onderduik. Bijna onopgemerkt tussen de leden van haar onderduikfamilie. Van bloedeigen familieleden, onbekende mensen die naaste verwanten moesten voorstellen. Nog altijd zijn. En foto's van later. Niet uit het album. Van haar drie zoons. En, tot onze verbazing of verbijstering, een foto van een kind dat Adolf heette. [8] 

Alle foto’s zijn slechts aanleiding en worden vroeg of laat terzijde gelegd. Anne heeft ze maar heel even nodig.In een interview op de website van de Provincie Gelderland - die nog niet zo lang geleden 3 werken van Anne heeft aangekocht – is een van de vragen:  

"Wat vind je het beste werk van jezelf tot nu toe? Waar ben je het meest trots op?" 

"Het meest trots ben ik op De Kleine Adolf, dat ik het heb gedurfd om dat te schilderen. Het verveelt mij niet. Ik heb het vrij kunnen schilderen, dat zie je ook aan de losse manier waarop het geschilderd is. De compositie is een beetje vreemd, daar let ik niet op, ik begin gewoon. Trots vind ik een moeilijk woord. Ik ben er tevreden over." [9] 

Dat Anne tevreden is over dit werk snap ik wel. Het is erg mooi geschilderd. Losjes. Naturel. Alsof het schilderen vanzelf ging en het enorme gewicht dat aan dit portret hing er helemaal niet te deed. Kleine Adolf doet denken aan het schilderij ‘Die Baba’ dat Marlene Dumas in 1985 maakte naar aanleiding van dezelfde foto. [10] Anne kende het werk van Dumas wel, maar niet dit schilderij.

Waarom eigenlijk wilde Anne zo graag een schilderij maken naar aanleiding van een fotootje van de Kleine Adolf? Waarom de behoefte om de confrontatie met uitgerekend deze man aan te gaan? Wil je die ook nog tot leven wekken? Wil je daar ook nog mee praten? Waarom neem je een foto van die man als kind? Is dat het enige dat we kunnen verdragen? De relatieve onschuld van het kind dat nog maar heel weinig kwaad heeft gedaan, behalve de broek vol poepen? Is dat het? Is het omdat alles nog goed kan komen, de geschiedenis nog kan kantelen? Waagde ik me daarom een paar jaar geleden ook aan een portret van Hitler? [11] En waarom kon ook ik deze grenzeloos kwaadaardige narcist alleen afbeelden als een klein slapend kind?

Misschien zoeken we naar een vonk van menselijkheid? Misschien naar een oorspronkelijk bestaan dat niet is gecorrumpeerd door cultuur en opvoeding? Wat is de oorsprong van het kwaad? Wat moeten we met dit kwaad? Waar laten we dat? Wat zetten we er tegenover?

  


Rinke Nijburg, The Act of Killing, 2021-2025



Chaim Soutine, 'De kleine banketbakker van Cagnes', ca. 1922-1923, olieverf op doek


Liefde voor het wilde schilderen

De boekenkast van mijn ouders puilde uit. Ik las de romans van mijn moeder. Jan de Hartog, Het koninkrijk van de vrede. Vier delen. Over de Quakers. Ik verslond de kunstboeken van mijn vader, de monografieën. Vincent van Gogh, Pablo Picasso, Marc Chagall, Chaïm Soutine.

Mijn vader zag dat ik, een jaar of twaalf, dertien, boek na boek uit de kast wipte. Hij wees 1 boek aan, een heel dunne, eigenlijk geen boek: "In dat boek moet je niet kijken." [12] Ik keek erin toen mijn ouders niet thuis waren. De holocaust. De concentratiekampen, de vernietigingskampen. Foto's die we allemaal wel kennen. De lijken. De stapels. 'Stücke', zei de SS. Op die foto’s kon alles zien. Onbeschaamd. Is dit een mens? Is dit een mens die hier ligt? Is dit een mens die een foto maakt? Is het een mens die hier de boel bewaakt? Is een mens die geen geweten heeft wel een mens? Hoe kwaad is het kwaad. Hoe banaal is het?

Het is deze diep existentiële worsteling die zo goed zichtbaar in de portretten van Anne Muller: om in het geschilderde beeld de ziel van de ander en van zichzelf op het spoor te komen. En om die reden passen ze met gemak tussen de beste werken uit het Franse en Duitse expressionisme uit het begin van de twintigste eeuw waarvan Anne zovelen bewonderd. Met als grote liefde wellicht Chaïm Soutine.[13]

Anne ging me voor naar haar atelier boven. Ik nam nog het laatste soesje. Als om zich te verontschuldigen, zegt ze een paar keer: "Ik kan helemaal geen gelijkend portret schilderen. Kijk maar."

Het deed me denken aan wat Marlen Dumas ooit zei. Toen ik me ooit aanmeldde voor de Rijksakademie moest ze mij verdedigen. Ik zei: "I like to make unfinished paintings." [14] Dat had ik beter niet kunnen zeggen. Dumas moest mij redden en zei: "Die skilderij is niet onaf, die is los geskilderd." En later, op het atelier, zei Dumas een keer: "Ik houd van de worsteling met het onderwerp die zichtbaar is in de verf." Het loss, de worsteling, niet te verwarren met onkunde, zijn beiden zichtbaar in het werk van Anne. 

 

 

Familieportret, verscheurd en weer aan elkaar geplakt, in Sonsbeekpark Arnhem, 19??

 

 


Anne Muller, 'Annie', gemengde techniek op papier, 100 x 70 cm

  

De naoorlogse stortvloed  

Maar hoe moet een schilder het portret schilderen van een vermoord familielid? Van rijen vermoorde familieleden? Hoe schilder je beminde onbekenden? Wat wil je doen wanneer je al die ooms en tantes, al die neven en nichten ziet? Op veel te kleine, onscherpe en stokoude zwart-wit foto’s die als vanzelf weemoedig maken, zelf al waren ze in rust en vrede gestorven, in hun Heer slapen?

De foto in het album, losse foto’s in de hand. Het is de flinterdunne huid van de vervelde slang van Mozes, van de hoop. Dit het begin. Niet het einde. Het begin van een verhaal dat stokte. Het begin van een ontmoeting. Met de ander. Met zichzelf. Wat Anne in haar gezichten naar boven worstelt, als Jacob die worstelt bij de Jabbok [15], is haar eigen ziel en die van de ander. De drenkeling die de drenkeling redt van de verdrinkingsdood. Zichzelf, de ander. De beminde, de onbekende.

Het menselijk tekort troost zich door zichzelf een rücksichtslose niets ontziende spiegel voor te houden. Tekort schiet de schilder om de doden op te wekken uit hun doodsslaap, tekort schiet de verbeelding om de doden te beminnen, te troosten. Er is geen franje. Om je te schamen bijna, zo goed is dit werk. Zoals alleen een Chaim Soutine dat kon. Of een Vincent van Gogh. Zo wordt de ziel uit de verf getrokken. Niet om te behagen. Om te herinneren. Om niet te vergeten.

Na de oorlog wilden veel Nederlanders weinig tot niets horen van de Joden die terugkwamen uit de kampen. Men had immers zelf ook heel wat af geleden in de oorlog. "Schei uit, wij hadden het ook moeilijk hoor." Het heeft geduurd voor joodse Nederlanders het verhaal van hun oorlog konden doen. Het dagboek van Anne Frank verscheen in 1947, twee jaar na de oorlog en in hetzelfde jaar als 'De avonden' van Gerard Reve verscheen. Voor de goede verstaander vormen ze een tweeluik. Het dagboek brak alles open. Er kwam een stortvloed.

 




 

Het onmogelijke verlangen 

Na 7 oktober 2023 lijkt alles opnieuw anders te zijn geworden. Al sluimert het antisemitische altijd en slaapt het een winterslaap vroeg of laat wordt het wakker. Aan al die joodse slachtofferverhalen moet een einde komen. Slachtoffers zouden daders zijn geworden die liever hun mond moesten houden dan opendoen.

Maar ik heb een vraag voor degenen die popelen iets te zeggen over dat wat er in Gaza gebeurt: kun je lijden ooit vervangen door ander lijden? Moeten we de verdrietige vrede van de overlevenden van de holocaust verstoren door ons naar voren te dringen en te stotteren of te scanderen dat ook wij en geleden hebben en anders anderen wel? Hoe geneeskrachtig is deze daad van protest, die pijn vergeldt met pijn? Als was er alleen oog om oog?

Mag een mens de wanhoop die schuilt achter de niet te beantwoorden vraag, wat een mens is, van zich afschilderen? Mag dat ook nog wanneer er andere, nieuwe oorlogen over de oude heen zijn gaan liggen? Kan nieuw leed oud leed verdragen? Is er soms een wedstrijd wie het meest heeft geleden? Kunnen we een heel volk beschuldigen van misdaden tegen de menselijkheid?

Ik denk dat Anne verjaardagen wil vieren die nooit gevierd werden. Ik denk dat ze naar bruiloften wil van mensen die nooit zullen trouwen. Anne wil naar de Bar Mitswa van een neefje dat niet leeft, naar een uittocht uit Egypte, naar een sjoel zonder te geloven in een god. En het allerliefst wil Anne de doden beminnen die weten dat ze gekend zijn, geliefd. Elkaar soms even aankijken en dan weer wegkijken.

Toen ik Anne vroeg wat ze nog graag eens zou doen antwoordde ze zonder enige aarzeling: "Naar Israël gaan, waar ik gewoond heb. De mensen die ik ken bezoeken, oude plekken terugzien."

In het interview op de website van de Provincie Gelderland beantwoordt ze dezelfde vraag bijna als een mystica: "Vind je het fijn om in Gelderland te wonen? Waar zou je nog liever willen wonen?" 

"Op dit moment zou ik in Israël willen wonen, nee, ik kan niet in Israël wonen."

Ik weet niet of het wel mag, een paar regels uit een gebed voor de doden uitspreken die niet jouw doden zijn. Maar voor de aanwezige levenden en de aanwezige doden deze drie regels uit de Kaddisj [16], het Joodse gebed voor de overledene: 

"Moge er veel vrede uit de hemel komen en leven! Over ons en over heel Israël. Zegt nu: Amen."

 

 

 

[1] Openingswoord bij de tentoonstelling Anne Muller ‘Ik schilder om te overleven’ in de Rijnzaal van Bakermat Arnhem op zaterdag 16 mei 2026 om 15:30 u.

[2] Binnenkant van het eerste dagboek van Anne Frank. Collectie: Anne Frank Stichting, Amsterdam / Bruikleen van NIOD, Amsterdam.

[3] 'Het Achterhuis' is een verzameling dagboekbrieven van Anne Frank (1929-1945) waarvan een bewerkte versie voor het eerst is uitgegeven op 25 juni 1947.

[4] Bezoek en interview aan Anne Muller op woensdag 6 mei 2026. 

[5] 'De verdronkenen en de geredden' (oorspronkelijke Italiaanse titel: 'I sommersi e i salvati') is een essay uit 1986 van de Italiaanse auteur en Holocaust-overlevende Primo Levi. Het is zijn laatste waarin hij de morele en psychologische consequenties van de vernietigingskampen onderzoekt.

[6] https://www.annemuller.nl/

[7] 'Upgraders in Art' is in 2004 geïnitieerd door de Hogeschool van de Kunsten in Arnhem (ArtEZ) en wordt nu gegeven op de Thorbeckestraat 6 in Arnhem. Zakelijk en inhoudelijk coördinator is Loukie von Freyburg. Het is sinds 2011 een zelfstandige non-profit onderwijsinstelling. https://upgradersartez.nl/

[8] Josef Franz Klinger, 'Adolf Hitler, Kinderbild', 1889-1890. Bundesarchiv Bild 183-1989-0322-506, https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Bundesarchiv_Bild_183-1989-0322-506,_Adolf_Hitler,_Kinderbild_retouched.jpg

[9] In de serie 'Uit de verf' worden kunstenaars uit de kunstcollectie van Provincie Gelderland belicht. 'Uit de verf: Anne Muller' werd geschreven door Gabrielle de Nijs Bik. https://www.gelderland.nl/themas/cultuur-en-erfgoed/blogs/uit-de-verf-anne-mullerhttps://www.gelderland.nl/themas/cultuur-en-erfgoed/blogs/uit-de-verf-anne-muller

[10] Referenties die aantonen of ondersteunen dat het schilderij 'Die Baba' uit 1985 van de hand van Marlene Dumas een portret van de jonge Adolf Hitler is kan ik niet vinden, maar - merkwaardig genoeg - heb altijd gedacht dat dat zo was. Om die reden laat ik de tekst zoals die is.

[11] Rinke Nijburg, 'The Act of Killing', 2021-2025, gemengde techniek op papier, 130 x 90 cm. 

[12] Het is niet gelukt te achterhalen om welke uitgave het hier precies gaat. 

[13] Chaïm Soutine (eigenlijk Chaïm Soutin) (Smilovitsji, Wit-Rusland, 1893 - Parijs, 9 augustus 1943) was een Joods-Franse kunstschilder die vooral bekend is geworden om zijn verwrongen portretten van mensen en vervormde landschappen.

[14] In het najaar van 1992 meldde ik me aan op de 'Rijksakademie van Beeldende Kunsten' in Amsterdam; het gesprek moet ergens in die periode hebben plaatsgevonden in het nieuw betrokken pand aan de Sarphatistraat.  

[15] Genesis 32: 22-32

[16] De Kaddisj is een gebed waarin God geprezen wordt. Hoewel het ook bij overlijdens gebruikt wordt door de nabestaanden, is het geen gebed voor de doden. Er komt geen vermelding van overledenen in voor. Het bevat wel een bede om een spoedige komst van het Koninkrijk Gods.



donderdag 30 april 2026

Brieven aan Edith Stein #157 Het geboortekanaal is een gegraven rivier

  

 
Primordial Fluctuations
'I CAN'T BREATH'
 2024-2026
 
mixed media on paper
(colorpencil, softpastels, charcoal, ink, acrylics and additional materials on paper)
ca 192 x 90 cm 

 


 
 
BRIEF 157
aan Edith Stein
'Het geboortekanaal is een gegraven rivier'
 
Joseph M. Heij 
Wolfheze

Genadige Zuster Teresia Benedicta van het Kruis, 

Lieve Edith,

Mijn Palestijnse buurman zei gisteren tegen me dat de ziel pas na 120 dagen in de foetus wordt gestopt en dat abortus provocatus tot een dikke vier maanden best wel mogelijk is, zij het onder strikte voorwaarden. 
 
Weet jij uit je hoofd wanneer jouw god de ziel erin propt? Toch niet al meteen, mag ik hopen? Toch niet op het moment dat het kikkervisje het naar gezelligheid snakkende eitje inzwemt? Toch niet al tijdens de bevruchting? Lijkt me echt heel raar. 
 
Waar de ziel überhaupt vandaan komt, daar moesten we het een andere keer nog over hebben. Bestond die al voor de bevruchting, voor de 120 dagen en de dag voor de geboorte, wordt die geschapen op een van die cruciale momenten geschapen of bestaat de ziel helemaal niet, zodat we een bijzonder vruchteloze discussie voeren?
 
Je weet dat ik niet bepaald geneigd ben om in een ziel te geloven en al helemaal niet in een onsterfelijke. De ziel, zo leerder ik van vrij veel hedendaagse filosofen is een construct, is bedacht. Vanaf een bepaald moment begint de foetus een zelfbeeld te construeren, te bedenken. Dat beeld wordt voor een groot deel bepaald door de cultuur waarin het leeft. 
 
Ga je weg uit de kraal, dan blijkt er elders heel anders over de dingen gedacht te worden en valt je zelfbeeld dat verregaand werd bepaald door je cultuur aan diggelen. Van die hedendaagse filosofen die allemaal langdurig borstvoeding van Friedrich Nietzsche, hun voedster, mag je, nu je toch eenmaal in de kosmos werd gedeponeerd, best boven jezelf en je cultuur uitstijgen en iets verwerkelijken dat daarvoor, toen god nog leefde, beslist onmogelijk was. 
 
Deze zelfverwerkelijking, Edith, 'Die Endlösung jenseits Gut und Böse' - ik gebruik even een paar Duitse woordjes om het jou helder te maken - gepropageerd door het filosofisch liberalisme dat de ander toch vooral ziet als iets dat de eigen carrière in de weg staat, wordt vandaag de dag door steeds meer exemplaren van homo sapiens sapiens aangehangen. Niemand laat zich nog knechten door een god, een rechtbank, een ander.
 
Wat je de ene dag foetus noemt, noem je de volgende dag baby. Of andersom. Het is toch een cultureel construct.
 
Zo kun je bijvoorbeeld het ene moment best zin hebben in een baby, maar later, als de zwangerschap haar tot begint te eisen en het echt afzien wordt en je in de gaten krijgt dat je allerlei dingen niet meer kunt die je eerst wel gewoon kon, dan is het best logisch dat je ging twijfelen of je dat ding wel baby moet noemen of foetus. 
 
Zo kun je bijna geen alcohol meer drinken, of maar heel weinig, sporten wordt steeds lastiger, je wordt steeds dikker terwijl je altijd zo je best deed om zestien te blijven, jouw yogaoefeningen lukken niet meer zo goed als eerst waardoor je gestresseerd raakt, steeds erger, op je werk beginnen ze steen en been te klagen dat er teveel werk blijft liggen wat zij mogen doen omdat jij het niet meer kunt, je man wilde seks - of je vrouw of jij - en ook dat wordt steeds lastiger. 
 
Op een bepaald moment kun je er niet meer omheen dat dat wat je baby noemde helemaal geen baby is, maar iets volslagen vreemds dat ongevraagd in jouw onderbuik begon te groeien als kool, als parasiet. Je realiseert je dat ineens dat jouw door jou zelf zo zorgvuldig vormgegeven leven van jou wordt afgepakt. Je raakt zo nu en dan of steeds vaker bijna in paniek. Niet te doen dit.
 
Het is daarom ook goed dat de grens om abortus te mogen plegen steeds verder wordt opgerekt. Zeg maar, van twee of drie maanden dan vier, vijf of zes. De Amerikanen Edith, zijn heel goed bezig, die lopen altijd voor alle troepen uit, daar mag je tot en moet de negende maand best wel naar de dokter of gynaecoloog stappen en zeggen: 'Ik dacht dat ik in verwachting was van een baby maar het is een foetus.'
 
Morgen wil ik je nog een vervolg schrijven Edith, want ik vind het raar dat het verhaal daar zou moeten stoppen: 'Wie zegt dat de ziel in de foetus wordt geblazen bij de geboorte? Het geboortekanaal is een gegraven rivier.'
 
Liefs Jouw Joseph 
 
 
 
  
 
 
 
 

zondag 26 april 2026

Brieven aan Edith Stein #156 'Het geboortekanaal is veel te klein geschapen'

 

 
'I CAN'T BREATH'
 
Primordial Fluctuations
2024-2026
-detail 
 
mixed media on paper
(colorpencil, softpastels, charcoal, ink, acrylics and additional materials on paper)
ca 192 x 90 cm 

 


 
 
BRIEF 156
aan Edith Stein
'Het geboortekanaal is veel te klein geschapen'
 
Joseph M. Heij 
Wolfheze

Genadige Zuster Teresia Benedicta vom Kreuz, 

Lieve Edith,

Trui was hier, in tranen. Haar verhaal was onsamenhangend. Wat ik meende te begrijpen is dat ze deze week nog veel meer boze brieven heeft gehad dan de week daarvoor. Over mijn epistels over abortus. 
 
Ik mag, zo begrijp ik, dacht ik, de hedendaagse, wijdverbreide euthanasie op ongeboren foetussen niet verwarren met de euthanasie op geestelijk gehandicapten door de nazi's. Bij mijn weten heb ik zoiets helemaal niet gezegd. Dat staat nergens. Men is heel boos. Met 'men' bedoel ik de brave borsten van de politieke correctheid die elke oprisping op het web onderzoeken op onzuiverheid. Die zijn erg boos. Op Trui, op haar man, op mij. Mij maakt dat niet uit, ik zit hier best. Maar zij, Trui en haar overspannen man, leven nog in de wereld, zij het aan de periferie. 
 
Je weet dat ik Mijn Vriend en Trui altijd probeer te helpen, al ben ik schrikbarend vaak eerder hun absolute tegenpool en zelden medestander van hun morele kompas dat altijd het absolute noorden zoekt. 
 
Voor Jeanne geldt exact hetzelfde. Onlangs nog vroeg ze of ik voor of tegen abortus was. 'Tegen natuurlijk.' Ik zag de opluchting op haar religieuze gezichtje en de longen achter haar veel te kleine borsten een zucht van verlichting slaken. Maar voordat ze iets kon ventileren, zei ik, haar strak aankijkend: 'Tegen abortus naturalis bedoel ik. Het is naar dat God iets wat Hij zaait voortijdig oogst. Hoe wreed is Zijn natuur.' 
 
'Maar als je abortus provocatus bedoelt, ook dan ben ik een groot voorstander. Zalig de medische wetenschap die dit mede mogelijk maakt.' Vanuit een ooghoek zag ik tranen opwellen in haar spiritueel blauwe ogen en kon nauwelijks een aanrollende glimlach onderdrukken. 'Weet je, Jeanne, er zijn allang veel teveel mensen op aarde en vooral in Afrika veel teveel jonge mensen. Daar komt bij dat er tegenwoordig veel vrouwen die mee willen in de vaart der vruchtbaar kapitalistische volkeren en net als al die succesvolle meneren eens een keertje carrière willen maken. En dan komt zo'n snel opzwellende buik lang niet altijd goed uit. Zelden zelfs.'
 
'Het is daarom, Jeanne, ook goed dat je in de Verenigde Staten van Amerika in een groeiend aantal democratische staten abortus mag plegen tot de dag voor de geboorte. Ze trekken dat ding er zonder enige verdoving zo voor je uit. Je hoeft niet eens uit te leggen waarom. Gewoon. Je doet je ding, al is het wellicht in een opwelling en krijg je lange witte haren van spijt.'
 
'Dat ze het embryo, de foetus, het ding - de Nazi's noemden hun dode Joden met een erg fraai gekozen term Stuecke - dat ze wel de lieve mevrouw keurig verdoven maar niet dat ding is een beetje vreemd maar er zal een reden voor zijn. Het kan ook niet in een keer. Dat is jammer. Ze hebben een soort knijptang waarmee heel voorzichtig, om de mevrouw geen onnodige pijn te doen - zoal de tandarts het tandvlees geen onnodig pijn wil doen wanneer hij of zij of hen tandsteen verwijderen, behalve als ze om een of andere reden boos zijn op de cliënt - eerst aan de armpjes en beentjes beginnen te morrelen, die kunstig en uitermate voorzichtig verwijderen, daarna het rompje en op het laatst het koppetje.'
 
'Dat koppetje,' Edith, zei ik tegen Jeanne, 'dat koppetje van het kikkervisje moet wel eerst in stukken geknepen worden, vooradt het er uit kan, want het geboortekanaal is veel te klein geschapen door Onze Lieve Heer om dat er ineens uit te manoeuvreren. Niks aan te doen. Misschien ooit, maar nu nog niet.'
 
Ik ben het met je eens Edith, dat er niet alleen een paar haken en ogen zitten aan de gehanteerde medische methodiek maar ook morele haken en scherpe ogen. Mijn vraag aan jou is, omdat jij in je dissertatie 'Zum Problem der Einfuehlung' voor het eerst op wetenschappelijk niveau schreef over empathie. Wat ik je wil vragen is dit: 'hoe moet een drachtig diertje - man of vrouw of hen, maakt mij niet uit - omgaan met de uiterst verwarrende emoties die komen kijken bij het fenomeen dat je de ene dag, ik bedoel de dag voor de geboorte, dat wat in je buik zit beschouwt als een wegwerpartikel uit de kapitalistische overproductie en de dag na de geboorte ziet als een zeldzaam uniek en dus onvervangbaar mensenkind? 
 
Hopelijk begrijp je wat ik bedoel. Helemaal helder ben ik niet vandaag. Gisteren kreeg ik per ongeluk de medicijnen die bedoeld waren voor mijn Palestijnse buurman die twee kinderen verloor in de oorlog in Gaza. En weer iemand anders kreeg mijn medicijnen. 
 
Ik denk dat ik jou en Jeanne en Trui en Mijn Vriend tegen me heb, maar ik denk toch dat elk drachtig diertje zelf mag bedenken wat ze doet met dat bazige dingetje in haar onderbuik.   
 
Tot schrijfs!
 
Liefs Jouw Joseph 
 
 

 

 

 

Brieven aan Edith Stein #155 'Alle engelen met de naam Josef Mengele'

   

On the Origins of Asymmetric Compassion
2023-2026
-detail 
 
mixed media on paper
(colorpencil, softpastels, charcoal, ink, acrylics and additional materials on paper)
ca 133 x 90 cm 

 


 
 
BRIEF 155
aan Edith Stein
'Alle engelen met de naam Josef Mengele'
 
Joseph M. Heij 
Wolfheze

Genadige Zuster Teresia Benedicta vom Kreuz, 

Lieve Edith,

Een uur geleden veranderde 25 april in de obligate 26ste april. De wekker had ik op 01:00 u gezet, normaal gesproken eerder het moment waarop ik in slaap val dan wakker word. Ik mag 's nachts ook helemaal het bed niet uit. 'Is niet goed voor Joseph', zegt het huis. 

Om precies 01:23 u wilde ik de aanhef van een nieuwe brief aan jou schrijven. Om te gedenken. 

- Zoals ik elk jaar de bevrijding van Auschwitz herdenk, ook al is daar geen exact tijdstip van bekend, de moord op Willem van Oranje, waarvan het exacte uur me onbekend is, en de zelfmoord van jullie Fuehrer van wie ik de exacte tijd verdomd goed ken. -

Het is vannacht precies 40 jaar geleden dat kernreactor nummer 4 in de kerncentrale van Tsjernobyl 30 megawatt produceerde in plaats de bedoelde 3 en uit volledig elkaar knalde. Elena, het stalen en betonnen deksel op de reactor met een gewicht van duizend ton en een dikte van een dikke 3,5 meter vloog de met fris fonkelende sterretjes versierde nachtelijke hemel in en nam de bruidstaart van 18 verdiepingen, die bovenop Elena lag uit te rusten als een Vesuvius hoog boven Pompeii en Herculaneum, met zich mee. 

De straling die vrijkwam wordt geschat op 5,2 exabecquerel. Dat is honderden keren hoger dan Little Boy en Fat Man produceerden toen ze vlak boven de uitverkoren steden explodeerden. Vermoedelijk zegt het jou helemaal niets, want die tweeling werden pas bevrijd, uit de cloaca van de bommen-persers, lang nadat jij en Rosa werden vermoord, al is 'lang' waarschijnlijk het goede woord niet, want maar vier jaar na jullie dood.

Toen de weeën in reactor 4 begonnen was de dienstdoende vroedvrouw van de kerncentrale in Tsjernobyl allang naar huis en de nachtelijke ploeg had helaas weinig kaas gegeten van hulp bij misgeboortes. Men herkende de tekenen des tijds niet. De welwillende amateurs bleven de onderbuik van het beest tarten en commanderen tot de vliezen braken. Let dus op Edith, dat je een drachtig diertje laat baren wanneer het wil. Wek niets op. De natuur gaat haar natuurlijke gangen altijd na. 

Er zijn mensen die mijn brieven lezen, Edith. Het zijn er weinig, heel weinig, maar mijn laatste brief moet toch veel kwaad bloed hebben gezet, want Trui krijgt de ene pornografische mail na de andere en de voicemail werd volgespoten met ranzig melkachtig zaad. Ik, jouw Joseph, zou, volgens deze of gene, excuses moeten maken: aan jou en aan alle mevrouwen op de wereld die ongeboren kinderen kwijtmaken. Wat schreef ik jou de laatste keer ook alweer Edith? Ik weet het niet meer. Kun jij mij een kopie van die brief sturen? Je hebt het adres. 

Weet je wat vandaag de dag echt een ding is dat in jouw tijd nog geen ding was? Of in ieder geval minder? Een stuk minder. Dit: men kan geen lange zinnen meer lezen. Of ingewikkelde. Of zinnen waarin beeldspraak verwerkt werd. Laat staan een paar zinnen achter elkaar. Die leest bijna niemand nog helemaal uit tot aan het einde. De hedendaagse lezer Edith, is doorgaans zo overtuigd van de eigen mening dat die al wordt geformuleerd nog voor ie aan het van de eerste zin van de vijand is..

- Denk je dat ooit iemand al Josephs brieven aan jou gaat zitten lezen, om jouw Joseph echt te begrijpen? Tuurlijk niet. -

Vooruit dan maar. Voor de helderheid. Om misverstanden te voorkomen. Om de kwaadaardig voortwoekerende Babylonische spraakverwarring langdurig en geneeskrachtig te bestralen. Ik weet heus wel dat jij en de nazi's geen een pot nat zijn, geen twee of drie handen op een buik. Ik weet dat jullie rooms-joodse nonnetjes, dat jij en Rosa, dat je uit het collectieve geheugen van het Beest werden geschrapt. Ik bewonder het aan je, Zuster Teresia Benedicta vom Kreuz, dat je op kwam voor het verboden leven dat zichzelf niet kon redden. Verlossen. Uit handen van alle boze engelen met de naam Josef Mengele. 

Excuses dus aan jou, aan Rosa, aan alle nonnetjes uit het klooster in Echt: deze bijna naamgenoot van De Engel des Doods spijt het oprecht dat men tegenwoordig eerder een mening heeft dan men een bladzijde heeft gelezen van wat jouw Joseph schrijft. Wie Edith moet ons verlossen van het boze? 

In bewondering,

Jouw nederige dienaar,

Joseph 

 

NB Dat ik Adolphus Schickelgruber gauw weer eens moet schrijven ontgaat me echt niet. Ik weet het, ik weet het.