vrijdag 19 augustus 2011

Preliminary Drawing for Pieta # 2

The real bust of Gaius Julius Caesar, ca. 50 v. C. 

Musée départemental de l'Arles Antique (F)


That's One Small Step for a Man


Iemand die een piëta wil maken zit, als het goed is, met een boel vragen. De allereerste vraag is natuurlijk wat een piëta eigenlijk is. Daarna volgen de vragen elkaar in rap tempo op: hoe zagen Jezus en Maria er precies uit? Leek Jezus op een Romein uit het begin van onze jaartelling of meer op een Jood uit diezelfde tijd? Was Hij werkelijk Julius Caesar van wie nog niet zo heel lang geleden in Arles in Frankrijk een buste werd gevonden die mogelijk zijn ware gelaat afbeeldt. Op 15 mei 2008 kopte The Times: Found in River – the real bust of Julius Caesar. Met het boek War Jesus Caesar? van Francesco Carotta in het achterhoofd kunnen we er met gemak van maken: Found in river Rhône:  the real buste of Jesus Christ. Wanneer men een wetenschappelijk verantwoorde piëta zou willen maken, moest men dus het borstbeeld in Arles navolgen en Jezus als Romeinse caesar afbeelden, met lauwerenkrans in plaats van doornenkroon.

De volgende vragen rijzen. Was zijn lichaam bedekt met wonden zoals Matthias Grünewald (ca. 1475/1480 - 1528) in het Isenheimer Altar (ca. 1506-1515) verbeeldde of vooral met bloed bekleed zoals Mel Gibson ons in The Passion of the Christ uit 2004 voorstelt? Ging het om 23 dolksteken of om 5475 wonden zoals Thomas van Kempen meende? Deed Jezus, of Julius, na zijn dood zijn ogen dicht of hield hij die open? Was de goede man 33 jaar oud of pakweg 55 jaar oud toen hij stierf? En de te verbeelden vrouw dan? Was Maria een stuk ouder dan haar zoon of niet? Volgens historici moet Maria een jaar of 13 zijn geweest toen zij onze Verlosser baarde en dus niet eens zoveel ouder dan haar zoon. En als de vrouw jonger was dan de Heiland, omdat het niet om zijn moeder ging maar om zijn veel jongere Calpurnia gemalin van Caesar, dan komt het beeld van de Pieta er wel heel anders uit te zien. Ging het niet om Maria de moeder van god noch om Calpurnia dan moet het wel Maria Magdalena zijn geweest op wier schoot God lag. En dan gaan alle remmen op de mannenfantasie los. Want Maria Magdalena was niet alleen jong en mooi, ze was hoerig en onaanraakbaar tegelijk, in een enkele incarnatie zowel femme fatale als devote discipel. Hoe het ook zij, een al te oude rouwende vrouw wordt zelden aantrekkelijk gevonden.

Verdere vragen: keek Maria of Calpurnia of Maria Magdalena haar zoon of man of geheime liefde aan of was ze in zichzelf gekeerd? Lag Jezus of zat hij rechtop op schoot? Was zijn lichaam bedekt of onbedekt? – Omdat elke tijd de eigen mode prefereert kleedt men de twee hoofdpersonen aan alsof het barbiepoppen zijn: een haute couture galajurk voor de dame en een goed gesneden Björn Borg onderbroek voor de heer. – En waar hielen de twee allebei in godsnaam hun armen en benen?!
En in welk landschap speelde het beroemdste drama van de Westerse wereld zich af? Jeruzalem? Rome? Brugge? Aangezien de hele scene van de piëta geen Bijbelse oorsprong kent maar later aan het lijdensverhaal werd toegevoegd, kunnen we de plaats, net als de kleding, steeds een beetje doen verschuiven. Meent de traditie dat Jezus na de kruisafneming direct onder het kruis op de schoot van zijn moeder werd gelegd, het zou zo maar kunnen dat het lichaam van de dode god een huis binnen werd gedragen en de hele rouwscène zich dus binnenskamers afspeelde. Waarom koos de traditie eigenlijk niet voor een setting binnenskamers?

Preliminary Drawing for Pieta No 1, 2011
Phase 1
potlood op papier
13,3 x 18,1 cm

woensdag 17 augustus 2011

Preliminary Drawing for Pieta # 1

Preliminary Drawing for Pieta No 2, 2011
Phase 2
potlood op papier
13,3 x 18,1 cm

 Divus Julius


Van de schok dat onze heer en heiland Jezus Christus misschien wel getrouwd is geweest met Maria Magdalena, een van zijn trouwste discipelen, en een of meerdere kinderen met haar had was ik inmiddels wel bekomen. En ook wel van de gedachte dat Judas Iskariot niet zozeer een verrader was maar een weldoener. – Dankzij hem immers kon Jezus verlost worden van zijn akelig aardse lichaam. – Maar de kerngedachte van het boek War Jesus Caesar? uit 1999 van Francesco Carotta, dat Jezus Christus een verbastering van Julius Caesar is en het hele Bijbelverhaal niet vanuit het Midden-Oosten naar ons geëxporteerd is maar door het oosten werd geïmporteerd, leek me aanvankelijk van een zo Monty Python-achtige absurditeit dat ik er toen de kranten en tv er een paar jaar geleden aandacht aan besteden - net als een flink aantal geleerden overheen las. -

Deze afgelopen en regenachtige zomer (2011) viel het lot van de zomervakantie op Bourgondië. Om precies te zijn de zuidelijkste rand van de Morvan. Even onder de Mont Beuvray sloegen wij onze tweedehands De Waard tent op, op een zelfs voor Franse begrippen ruim opgezette kasteelcamping. Ons kamp keek uit op een meertje. We zagen er ijsvogeltjes en ottertjes. Bij de laatste diertjes moest steeds aan de zieke Frans Kellendonk denken. Toen na lang zoeken de naam van de geheimzinnig nieuwe ziekte die hij onder de leden had bekend werd, door de dokter uitgesproken werd, sprak Kellendonk zelf van een ‘klein ottertje’ dat in zijn lichaam gevonden was en daar kennelijk naar alle tevredenheid rondzwom. – Tenminste dat meen ik mij te herinneren, maar op internet kon ik het niet terugvinden. –

Bovenop de Mont Beuvray ligt Bibracte, een Gallisch oppidum (vestingstad) uit het begin van onze jaartelling en hoofdstad van de machtige Gallische stam van de Haedui. Toen wij de berg in 1988 beklommen, was men pas net begonnen met de opgravingen; er was nog maar heel weinig te zien. Nu ligt aan de voet van de berg een groots museum dat geheel gewijd is aan de geschiedenis van het oppidum. En onderweg naar de top van de berg wandelt men langs een flink aantal geprepareerde vindplaatsen van de vestingstad. Bovendien kan de wandelaar de nieuwste opgravingswerkzaamheden op de voet volgen, want archeologen moeten het grootste deel van de vesting nog doen. Zo zagen wij een wanordelijke stapel gave en gebroken amforen liggen.

In 58 voor Christus trok Julius Ceasar over de Alpen om Gallië te veroveren. Aanvankelijk verliep zijn campagne voorspoedig. Totdat ergens in het jaar 51 of 52 voor Christus Vercingetorix (ca. 82 - 46 v.C.) in Bibracte tot leider van het gewapend verzet tegen de Romeinen werd gekozen en Caesars troepen flinke klappen kregen uitgedeeld en de Romeinse opmars stopte. In het begin leek het dus wel te lukken met dat Gallische verzet, maar binnen een jaar was het afgelopen. Bij de Gallische nederzetting Alesia werden de legers van Vercingetorix ingesloten en verslagen. Alhoewel in de meerderheid, moest Vercingetorix zich na een maandenlang beleg overgeven, waarna Caesar hem als oorlogstrofee meevoerde naar Rome. Met de slag bij Alesia werden de Galliërs voorgoed verslagen en Gallië ingelijfd bij het Romeinse Rijk. – Alleen het Gallische dorpje in Bretagne waar Asterix en Obelixs woonden hield, zoals iedereen weet, stand. – In de winter die volgde begon Julius Caesar in Bibracte met het schrijven van zijn Commentarii de bello Gallico. Delen daarvan moesten we vroeger, op de middelbare school, vanuit het Latijn in het Nederlands vertalen.

 
Preliminary Drawing No 2 for Piëta, 2011
Phase 1
potlood op papier
13,3 x 18,1 cm

Moderne devotie / Devotio Moderna # 1

What Flower is a Mockery of a Passion Flower?, 2011
(under construction)
houtskool en pastel op papier
131 x 182 cm

Olivier Messiean, de Frans-katholieke componist, zei ooit dat hij graag muziek over de vreugde zou willen maken. Hij zei erbij dat hij dat moeilijk vond. Hij meende dat het gemakkelijker was muziek te maken over het verdriet, over het lijden, de dood. Een beetje gelijk had hij wel, want wees nou eerlijk: hoeveel klassieke muziek gaat over de dood en hoeveel over vreugde? En op eenzelfde manier denk ik  dat het vandaag de dag ook veel gemakkelijker is om religie op de hak te nemen dan om een religie te beleven en te belijden. Ook voor kunstenaars is het gemakkelijker inkoppen wanneer ze iets grappigs of onaardigs over de godsdiensten zeggen dan wanneer ze in hun werk een godsdienst willen beleven. Het christendom is vandaag de dag al helemaal de klos. Soms speel ik dat laffe Zwartepietenspel zelf trouwens ook mee.

Wat betreft het fenomeen Moderne devotie kunnen we eigenlijk twee kanten uit. We kunnen het zien als een historische stroming, waar het Stedelijk Museum in Zwolle i.s.m. Museum De Fundatie dit najaar aandacht aan wil besteden. Er zijn aan het einde van de 14e en begin van de 15e eeuw in het Overijsselse prachtige dingen geschreven en geschilderd. Religieuze observaties die de kern van het menselijke en dus van het goddelijke raken. Het meest ontroert me altijd nog het verlangen om al tijdens dit leven te sterven aan het leven. Vreemd genoeg, en tegen de natuur in, wensen sommigen hun ego te ontmaskeren als ledig en wensen het af te leggen.  Maar zoiets doen is makkelijker gezegd dan gedaan. Maar goed, wij leven niet in die goeie ouwe tijd maar in de 21ste eeuw. Misschien de beste, misschien de slechtste van alle eeuwen. Misschien ook gewoon een eeuw zoals alle eeuwen. Moderne devotie is vandaag de dag wat de gek ervan maakt. Je kunt Ajax aanbidden of FC Barcelona. Je kunt dol zijn op je honden of gek zijn van je kat. Eigenlijk is elke passie wel o.k.. Als ie maar volkomen authentiek is en totaal beleefd wordt maakt het eigenlijk niet uit waar het grote verlangen zich aan hecht.

Ik hou erg van belijders van het geloof. De gospelplaten van Bob Dylan reken ik nog altijd tot zijn beste albums. Ook mag ik graag Van Morrisson en Nick Cave horen zingen over William Blake, over hun God, hun twijfel aan god. Ik mag erg graag luisteren naar David Eugene Edwards van Sixteen Horsepower en naar Sufjan Stevens, die er best radicale ideeën op na houden als het om het geloof gaat. Maar de haatmails aan de godheid van Lou Reed zijn even ontroerend. Als ik even boos ben op god zet ik altijd Saved van Bob Dylan op, of New York van Lou Reed. Waar ik van hou is dat men niet onverschillig is. Zoals Nietzsche niet onverschillig was, maar het geloof in zijn jeugd allerhartelijkst beleed om het later vanuit de grond van zijn denken leerde haten, althans een flink deel ervan. Waar ik tegelijkertijd van hou is dat men zichzelf weet te relativeren. Misschien kon Nietzsche dat wat minder. Meelopers van de grote moderne devotie die zich tegen het christendom keert zijn de echte armen van geest. Maar helaas, hoe kan het ook anders, onder de gelovigen vinden we net zoveel armen van geest.

 
Jeroen Bosch
De kruisdraging, ± 1520
olieverf op paneel
76,7 × 83,5 cm

Bij ons thuis hing vroeger een op spaanplaat geplakte reproductie van De kruisdraging (1520) van Jeroen Bosch, typisch een Andachtsbild in de trant van de Moderne devotie. Het is een beeld dat sinds mijn jeugd in het geheugen gegrift staat. Het werk hing namelijk bij ons in het trappenhuis, als een op spaanplaat geplakte, in de loop der tijd verschaalde reproductie van ongeveer een kwart van het originele paneel dat in het Museum voor Schone Kunsten in Gent (B) hangt. -Ik heb het spaanplaten ding nog steeds.- Een beeld dat er in hakte: door de donkere tinten, de broeierige kleuren, maar bovenal door de volslagen vreemde koppen. Zelf de kop van Christus kon ik maar niet herkennen als de kop van Jut. De Heiland was mij zo vertrouwd als mijn eigen moeder, maar Bosch portretteerde de Heiland zo dat Hij voor mij een volslagen alien was. Zo zou ik Hem ook het liefst willen afbeelden: als vreemde en dus niet vertrouwd mensenkind. Zelfs de Veronica linksonder in het paneel van Bosch ziet er eerder uit als een heks of een stiefmoeder dan als dierbare vriendin of discipel. En het op een witte doek afgebeelde gelaat van Christus is nog verontrustender dan het gelaat van de Heer zelf. En zo moet het ook zijn. Wanneer de godsdiensten ons te vertrouwd worden gaan de scherpe kantjes eraf, wanneer het beeld van de Christus gepolijst wordt blijft er een wassen neus over. Ik hou niet van een godsdienst die ik helemaal begrijp.

Alhoewel het paneel van Bosch niet de bespotting van Christus tot onderwerp heeft, maar de gang van Christus naar het kruis, -een beetje zoals in de speelfilm The Green Mile (1999) een ter dood veroordeelde op weg is naar zijn terechtstelling,- is het beeld toch verwant aan dat wat ik zelf graag wilde verbeelden: een prooidier omringt door hyena’s die wel erg veel zin hebben in hun weelderige en bloederige lunch. Het onontkoombare lijden van de ander trekt sommigen aan als de polen rukken aan een magneet. Het trekt ook altijd stevig aan mij. Voor mijn eerste, Zwolse tekening nam ik dan ook de bespotting van Christus tot onderwerp. Alhoewel ik de simpele titel Mockery / Bespotting overwoog, gaf ik het werk uiteindelijk de titel What Flower is a Mockery of a Passion Flower? mee. Je kunt je afvragen welke van de afgebeelde figuren onze geliefde Heiland Jezus Christus precies is. Je kunt je ook afvragen wie van de afgebeelde personen je zelf bent. Het kan ook best zijn dat de Heiland zelf niet eens werd afgebeeld, maar dat het hele kliekje gangsterleden naar de andere, niet afgebeelde zijde van de tafel kijkt, omdat het aanstaande slachtoffer van het zinloze geweld daar zit, net buiten het beeld.

donderdag 5 mei 2011

Mockery # 1

What Flower is a Mockery of a Passion Flower? (detail), 2011


What Flower is a Mockery of a Passion Flower?

Titels geven aan werken is een ongemakkelijke bezigheid.  De meest neutrale oplossing is een werk geen titel geven, beter nog: geen enkel werk een titel geven. Men huldigt dan gewoon het principe dat taal en beeld twee verschillende domeinen zijn die men liever uit elkaars buurt houdt. Zoals een hond en een kat. Sommigen menen zelfs dat een beeld ten doop houden – het onbenoembare benoemen, het beestje een naam geven – het beeld teveel een bepaalde richting op zou dringen zodat de totale openheid of transparantie verloren gaat.
Een ander mogelijkheid is een beeld een neutrale, beschrijvende titel te geven. Men benoemt gewoon wat men ziet. Een schilderij met een fruitmand met bananen erop heet dan al gauw: Stilleven met bananen. Maar deze strategie is niet helemaal zonder gevaar want men heeft de taal al binnengehaald, hoe neutraal men ook probeerde te zijn. En de taal het domein van de beeldende kunsten binnenhalen is als het binnenhalen van een Trojaans paard. In alle woorden huist een vijand in die het fort van het zien verovert. Want op dat stilleven lagen wel bananen in een mandje, maar er lagen ook nog twee appels in de mand en ook zat er een vlieg op een van de bananen. Met een beschrijvende titel doet men het beeld steevast tekort; er staat altijd meer op dan men benoemt. Tenzij men de beschrijvende titel net zo lang maakt als het beeld. En dan nog zal een blinde niet zien.

Meest hachelijke bezigheid is om elk werk een titel te geven die het beeld in taal een rijkdom aan betekenissen geeft die oneindig is. Dit is het domein van de metaforen, de moeilijkste maar tevens de leukste weg om te bewandelen wanneer de kunstenaar het fonkelnieuwe beeld wil benoemen, het beestje een naam wil geven. Of zoals Bob Dylan in 1983 zong: ‘Man gave Names to all the Animals, in the Beginning, in the Beginning, long time ago.’ En net zoals men een leven lang spijt kan houden van de naam die men zelf draagt of die men aan een kind of een hond gaf, kan men gruwelijk spijt hebben van een ondeugdelijke titel. Beter een werk zonder titel of met slechts een beschrijvende titel dan eentje met een metafoor die niet deugt. De Nederlandse schilder, tekenaar, graficus Erik Andriesse (1957-1993) heeft ooit eens gezegd dat er niks zo erg is als een kunstenaar die naast zijn werk gaat staan en het gaat uitleggen. En zo is het ook met titels. Een goede titel kan een werk een enorme lift geven, een slechte kan hetzelfde werk een enorme dreun verkopen.

Maar wat als we nu een en hetzelfde werk tegelijkertijd een enorme dreun verkopen en het een flinke aai over de bol geven? Dat is precies wat we doen als we het kind twee namen geven, een heel lelijke en een heel mooie: Vanessa en Marietje bijvoorbeeld. Omdat de oma met de lelijke naam zo graag wilde worden vernoemd en we toch ook onze eigen autonome behoefte aan esthetiek wilde bevredigen. Titels kunnen een werk maken of breken. Een van de beste levende metaforisten (het is geen officieel Nederlands,  maar bedoeld wordt hier een persoon die geweldige metaforen kan bedenken) is toch wel René Daniëls die titels bedacht als: 2 i’s strijdend om een punt en Een warme dag in de vuurtoren. De laatste doet natuurlijk denken aan de superbe titel die Barnett Newman ooit gaf aan een een serie werken: Who’s afraid of Red, Yellow and Bleu

De tekening Mockery is inmiddels 2 maanden oud. Ik ben er nog niet klaar mee; de rechterbovenhoek is nog niet goed. Vandaag heb ik er weer een paar kleine dingen aan veranderd. Als ik in de rechterbovenhoek iets radicaal verander dan kan het best eens zijn dat het beeld af is, niet vergetend dat wat af is volgens Paul Valéry nooit  gemaakt werd. Over de titel ben ik nog niet helemaal uit, maar meest raadselachtig vind ik de titel die ik vandaag deels aan internet ontvreemde en verder aanpaste aan de iconografische behoeften van het eigen beeld met de werktitel Mockery: What Flower is a Mockery of a Passion Flower?

vrijdag 15 april 2011

Ex voto # 1

Ex Voto for Tsu, 2005
potlood, stift en acrylverf op papier
80 x 110 cm

Ex Voto for Tsu
Ex voto’s hebben sinds lang mijn warme belangstelling. Het zijn schilderijtjes op paneel of doek die vrome katholieken vooral in vroeger tijden lieten maken wanneer men genezen was van een akelige ziekte of behoed werd voor een ernstig ongeluk. Letterlijk betekenen de Latijnse woorden ex voto ‘ten gevolge van een belofte.‘
In de traditie van de volksschilderkunst, en dus in een ietwat naïeve stijl, schildert de ex voto-schilder in opdracht van de genezen of op miraculeuze wijze geredde gelovige het tafereel waar alles om draait: de zieke op zijn bed, de onfortuinlijke onder het wiel van een kar. Boven in de hoek wordt in een witte wolkenrand soms de Verlosser aan het kruis, maar meestal de Heilige Maagd Maria afgebeeld. Door een van beiden, of door weer een andere heilige, wordt immers het wonder van de redding voltrokken.
Het fenomeen stamt, niet helemaal toevallig, uit de vijftiende eeuw en bleef tot ver in de 19e eeuw populair. Maar ook nu nog worden ex voto’s gemaakt en geoffreerd aan kerk of altaar. Italiaanse, Spaanse en vooral Zuid Amerikaanse en Mexicaanse ex voto’s uit de 18e,e en begin van de 20ste eeuw worden inmiddels terecht verwoed verzameld. 19

Het eerste wat men, uit impuls en dus gedachteloos, doet wanneer men verongelukt of ziek wordt is vloeken of bidden. Want gelegen komt zoiets als onheil zelden of nooit. Bovendien roept het de sterfelijkheid in herinnering. Maar wanneer men uit schrik spontaan begint te bidden, belooft men al gauw meer dan men waar kan maken. Dat wij onze geloften meestal geen gestand doen, vinden we tegenwoordig niet meer zo erg. Het bidden is een primitieve impuls, een reflex, die wij onszelf gerust mogen vergeven. Een onzinnig ongeluk meteen met de rede pareren en tot zinvol zwijgen brengen is de meesten van ons niet gegeven. Eerst maar eens hartgrondig vloeken wanneer wij met de hamer op de duim slaan. Daarna bedenken dat een metalen voorwerp door eigen toedoen met teveel kracht per ongeluk op een al te zacht en gevoelig deel van het doorbloede lichaam neerdaalde. Pijn huist in het onredelijke deel van de hersenen.

Bij ons om de hoek zit sinds jaar en dag een veilinghuis. Ik liep en fietste daar al 20 jaar langs zonder ooit naar binnen te gaan. Van tijd tot tijd staat er een bord aan de weg waarop soms ‘heden kijkdag’ en dan weer ‘heden veiling’ staat. Maar hoe groot mijn nieuwsgierigheid naar oude dingen steevast ook is, de drempel van het veilinghuis kwam ik maar niet over. Totdat een goede vriend, die niet eens in de stad woont, mij vroeg of ik ‘omdat hij wel zin had een paar schilderijen te kopen’ mee wilde gaan naar een van de kijkdagen.
Dit Cabinet of Natural Curiosities  is een meer dan welkome afwisseling van de veel te dure winkelstraatspullen zoals we die tegenwoordig in elke stad of flink dorp kunnen vinden. Misschien is het niet het meest hoogstaande veilinghuis van Nederland – ik hoorde iemand zeggen dat het een veilinghuis voor de armen is – toch was ik verbaasd over de hoeveelheid prachtig vreemde, exotisch, niet alledaagse spullen die op 3 verdiepingen keurig waren uitgestald. Tot ons geluk bleken ook in dit armenhuis der veilingen de prijzen sinds de economische crisis, zoals bijna overal, enorm gekelderd.

Op de bovenste verdieping van het veilinghuis waar de boel niet eens bewaakt wordt, staan altijd de stapels schilderijen en ingelijste reproducties van schilderijen waar men geen raad mee weet. Het zijn de winkeldochters. De actuele catalogus van het veilinghuiswil de prijzen niet eens vermelden; er staat slechts een streepje achter het lotnummer. Achteraan een van de stapels zag ik een schilderij op doek dat weliswaar geen ex voto was maar wel helemaal in de stijl van ex voto’s was geschilderd. Een prachtig volkse, minstens honderd jaar oude schildering van een madonna met kind. Beiden met een aandoenlijk lief gezicht. Omdat ik de middag van de veiling niet kon, bracht ik een bod van 50 euro uit op de hele stapel. Na een paar dagen werd ik gebeld dat ik de troep op kon halen.

Moet ik nu, uit dankbaarheid voor dit gelukkig lot, een ex voto schilderen? 

maandag 11 april 2011

Paradise Lost # 1 Without Mary


Without Mary, 2009
houtskool, pastel en kleurpotlood op papier
111 cm



“now reigns
Full orbed the moon, and with more pleasing light
Shadowy sets off the face of things; in vain,
If none regard; heaven wakes with all his eyes,
Whom to behold but thee, nature’s desire,
In whose sight all things joy, with ravishment
Attracted by thy beauty still to gaze.”
Milton, John, Paradise Lost

Wanneer wij twee nagenoeg identieke meisjes onder een stralend blauwe hemel zien schaterlachen van de pret dan menen wij al gauw dat zij gelukkiger zijn dan wij. Zij hebben immers elkaar om op te vrijen en wij zijn maar alleen. Maar wanneer wij twee dezelfde meisjes midden in de nacht een beetje al te sip naar de maan zien kijken dan zijn we maar wat blij met onszelf. Zij hebben immers aan elkaar niet eens genoeg en wij wel aan ons alleen.

In het paradijs wordt nooit iets gevonden wat als verloren werd beschouwd. Iets verliezen betekent namelijk altijd het voelen van een gemis en zoiets bestaat in het paradijs niet. In het paradijs wordt alleen gevonden. Mensen die alleen vinden schenken alles weg; zij missen immers nooit iets. Dit soort heiligen is zeldzaam. De meesten van ons werden voorgoed uit het paradijs verdreven.

In het epische gedicht Paradise Lost (1667) voert John Milton de naakte Eva ten tonele als louter schaduw van Adam. Adam immers had God in een vlaag van mannelijk narcistisch verlangen om een beeld van zichzelf gevraagd. Eva was daarmee slechts waterspiegel en geen zelfstandig wezen met een vrije wil. Het gevolg hiervan was dat Eva zichzelf begon te missen. En deze achilleshiel wist Satan te raken. Waarom, meende Lucifer, scheen de maan ’s nachts anders dan om haar te zien en om door haar gezien te worden?

Paradise Lost, Espace Enny, Laag Keppel
Deelnemende kunstenaars: Anya Janssen, Mirka Farembegoli, Rinke Nijburg, Gerda Ten Thije, Surya de Wit, Lee Eun Young.

maandag 4 april 2011

All about Drawing # 1

 
De bestraffing, 2006-2007
houtskool, pastel, balpen en verfstift op papier
148 x 150,5 cm


Veel boeken hebben is een deugd, maar ze niet allemaal tegelijk kunnen lezen is een ondeugd. Nog erger is de gedachte dat men sommige boeken nooit zal herlezen. Gelukkig werd de kinderbijbel bij ons thuis vroeger zoveel gelezen dat de verhalen maar nog vaker de daarbij behorende afbeeldingen in de ziel gegrift staan.

Onlangs pakte iemand De kinderbijbel van Johanna Kuiper uit 1960van de kinderboekenplank en bladerde er doorheen. Ik heb er nooit meer in gekeken. Bij een van de op een warmgele onderkleur gedrukte afbeeldingen voelde ik iets in de onderbuik, geen vlinders maar wel de schok van de herkenning.
Op de tekening in dikke zwarte lijnen is een man te zien die tot zijn middel in het water van een rivier of meer staat. Achter hem staan twee jongemannen die vermoedelijk de kleren van de bader dragen. Het landschap heeft veel weg van een woestijn- of maanlandschap met middelhoge bergen. De zwaar behaarde man met haarlint lijkt almaar dieper het water in te lopen. Maar het is niet zozeer de man zelf, noch zijn naaktheid, noch de homo-erotische setting van het geheel dat vroeger mijn aandacht moet hebben getrokken. Dat speelt allemaal wel een rol, maar het zijn vooral de vreemde vlekken, de zwerende wonden op zijn bovenlijf die me mateloos fascineerden.
Onder de tekening van A. Jagtenberg staat: … en Naäman ging naar de Jordaan en waste zich zevenmaal. Ik weet niet meer wie Naäman was, wel heb ik de wonden onthouden. Op de een of andere manier moet het iets te maken hebben met de tekening De bestraffing (2006-2007) die vanmiddag wordt opgehaald om af te reizen naar het Stedelijk Museum Schiedam vanwege de tentoonstelling All about Drawing.

Illustratie van A. Jagtenberg
… en Naäman ging naar de Jordaan en waste zich zevenmaal.
uit De kinderbijbel van Johanna Kuiper, p. 165
H.J. Paris Amsterdam, 1960


zondag 3 april 2011

Mercy Seat # 2

Mercy Seat, 2011
dummyschets No 2
potlood en, kleurpotlood en stift op papier
12 x 7 cm


Een van de meest eigenaardige beelden uit de christelijke iconografie is ongetwijfeld de genadestoel, ook wel bekend onder de uit het Duits afkomstige term Gnadenstuhl: een afbeelding van de Heilige Drie-eenheid. Dat een genadestoel een vreemde voorstelling is komt natuurlijk juist omdat het nogal plomp een van de meest abstracte concepten uit het christendom verbeeldt: een god die uit 3 delen bestaat. Als abstract concept erg moeilijk voorstelbaar wordt het eenmaal geïncarneerd een uiterst curieus beeld. De zoon moet immers lijken op de vader, de vader moet ouder zijn dan de zoon, de zoon moet niet in opstand komen tegen de vader en de vader moet mild zijn voor zijn eniggeboren zoon. En ergens zit een duif, die de Heilige Geest verbeeldt. Vaak zit ie op de kop van de zoon of zweeft boven het hoofd van de vader.

Onze buurman heeft duiven. Wanneer wij ’s zomers achter in de tuin zitten wil er nog wel eens eentje op een tak boven onze hoofden neerstrijken. Het is dan wachten tot het beestje gaat schijten. Op de kop van de zoon noch de vader zit ooit schijt. De heilige geest nuttigt slechts geestelijk voedsel.

Wanneer we bedenken dat op menig Zuid-Amerikaans ex voto de geest net als vader en zoon als mens en niet als vogel wordt afgebeeld, dan moet die zowel op de vader als de zoon lijken. Het levert Monty-Python-achtige taferelen op.

Morphological Freaks # 3

Stag-beetle / Vliegend hert, 2006
verfstift, acrylverf, lakverf en vernis op kunststof
diameter 33,5 cm (dikte 11,5 cm)


Tijdens het bij de tentoonstelling Conversatiestukken horende diner van gisterenavond had ik een gesprek met een meneer, een psychotherapeut. Naar aanleiding van mijn eigen bijdrage aan Conversatiestukken vertelde ik over het boek Morphologically disturbed insects. De meneer vroeg zich net als ik af of insecten zich wel zo druk maken over een kernramp als wij.
We hadden het over mieren, noeste sociaaldemocratische arbeiders. De meneer vertelde dat hij had gelezen dat als een mier doodgaat deze een bepaalde stof de ether inspuit die de mieren- doodgravers ogenblikkelijk opvangen. Zij komen als op commando aangesneld om de dode mier te recyclen. Opgeruimd staat immers netter.
Ik weet niet of de man van het diner in god geloofde, maar ik opperde dat de stof die stervende mieren bij hun heengaan uitscheiden vermoedelijk het elixer van de onsterfelijke ziel is die ten hemel vaart. Zoals de middeleeuwse ziel de mond van de stervende als een soort eenmansvliegtuigje verliet om naar het paradijs te emigreren.
Zoals het met het geweten van mensen nogal tegen valt, lijkt recent hersenonderzoek uit te wijzen dat er van een vrije wil eigenlijk eveneens nauwelijks sprake is. Die twee zaken zullen net als menig Siamese tweeling maar moeilijk van elkaar te scheiden zijn. Zoals lichaam en geest onscheidbaar zijn. De mens zal net zo weinig vrije wil hebben als een insect. Het verschil is vooral het geloof dat de mens op de been houdt. Het geloof dat er zoiets als een vrije wil bestaat.
Het niet hebben van een vrije wil sluit trouwens het geloof in het eeuwige leven of een reeks van volgende levens helemaal niet uit. Als de god werkelijke compassie heeft met het arme leven dan zal deze als een liefhebbende vader of moeder alles verzamelen wat een onsterfelijke ziel heeft om het in een andere gedaante weer in de kosmos terug te ademen.


Conversatiestukken, 2011
Ad Gerritsen & Rinke Nijburg
porseleinklei, glazuurverf
diverse afmetingen

vrijdag 1 april 2011

Morphological Freaks # 2


Morphological Freaks, 2011
Stag-beetle / Vliegendhert
Conversatiestukken
porseleinklei, glazuurverf
afmetingen 22 cm ø
Tot mijn grote spijt zijn er gisteren 2 borden met insecten nog tijdens het beschilderen gesneuveld. Ze bleken te broos voor mijn handen. Op eentje stond een vliegendhert, een van de mooiste, grootste, maar in Nederland tevens een van de zeldzaamste insecten. Ik heb nog nooit een mannetje vliegendhert  in het echt gezien; wel afgelopen zomer in Zuid-Duitsland een vrouwtje, zonder de enorme kaken van het mannetje toch ook al een indrukwekkend beest. Misschien is het geen toeval dat juist het bord met vliegendhert sneuvelde. 
Uit Morphological Freaks # 1 zou men kunnen opmaken dat ik eigenlijk niet mee had moeten doen aan de tentoonstelling Conversatiestukken. Ik heb immers een hekel aan de actualiteit en die is nu juist de insteek van de tentoonstelling. Maar dat wat onder de actualiteit ligt heeft wel mijn warme belangstelling. Het is meer het gekeuvel over de waan van de dag dat me niet interesseert. Wat me wel bezighoudt zijn de diepere drijfveren van de mensen die de actualiteit vormgeven. Wat beweegt mensen ten diepste? En hebben ze kennis genomen van die vaak duistere diepten? Of worden ze gedreven door motieven die ze zelf helemaal niet kennen?
Insecten hebben vermoedelijk geen last van een slecht geweten. Want dat is toch wat het denken over het menselijk handelen vooral oplevert: dat er maar weinig zuiver is aan de eigenlijke beweegredenen van mensen. En ook dat men dat laatste vaak liever niet al te veel beseft, omdat zoiets een slecht geweten genereert.
We moesten er maar niet cynisch van worden. Zo lang het goed gaat, dient kernenergie immers de vooruitgang van de beschaving. Vrolijk worden we in ieder geval van insecten die koortsachtig gemutileerd doorgaan met het vergaren van voedsel, blijven strijden en sterven.

 
4 Conversatiestukken, 2011
porseleinklei, glazuurverf
diverse afmetingen